Het mobieltje lag temidden van glitters, kaarsen en pakjes om zich heen
te kijken. Om hem heen waren er allerlei mensen in kerststemming, opgedoft
en wel, ontspannen omdat hun kerstvakantie begonnen was, kortom: het jachtige
leven ontvlucht. En ach, voor het mobieltje was het ook wat rustiger dan
anders.
Maar toch
terugkijkend op het oude jaar was er één ding dat hem droef
stemde. Zo droef, dat het eigenlijk alles overstemde
Dolblij was ´ie een paar maanden geleden geweest met zijn nieuwe baasje.
Het baasje kwam nog eens ergens.
Dat hield weliswaar in dat er veel gereisd moest worden, maar dat had
hij er graag voor over. Bovendien had het baasje een auto van de zaak,
en dat betekende alleen maar méér uitjes. Naar het strand, naar het theater,
naar het café, buiten op straat, als het baasje een vergadering buiten
de deur had, altijd mocht hij mee.
En wanneer hij daar zin in had, mocht hij zingen zoveel als hij wilde.
Steeds andere deuntjes, bovendien. Dan was het Für Elise, dan weer The
Entertainer, dan weer een vrolijke samba en nu was het steeds Jingle Bells.
Ook Auld Lang Syne had hij al even mogen zingen. Onze kleine held zong
naar hartelust waar en wanneer hij maar kon, en altijd kon hij op de aandacht
van zijn baasje rekenen.
Gaandeweg viel het hem echter op dat er één gelegenheid was waar hij volstrekt
genegeerd werd of erger nog, beschimpt. Want zo vaak als hij mee mocht,
wanneer het baasje op zijn eigen kantoor was, dan vergat het baasje hem
regelmatig. Als hij begon te zingen en het baasje was in de buurt, dan
was er geen probleem. Maar het baasje nam hem vaak niet eens mee! Ging
het baasje naar een vergadering in een andere kamer, dan bleef hij plotsklaps
eenzaam achter. Hij, die altijd mee mocht! Ging het baasje lunchen, dan
moest hij lijdzaam toezien hoe het baasje met anderen wegging en zijn
kleine metgezel, met diverse kleine collega's, achterliet zonder er enige
acht op te slaan. Hoe hij ook zijn best deed, het baasje reageerde niet.
Hij zong niet een keer, nee, hij zong drie, vier, vijf, ja soms wel tien
keer! Soms ook steeds harder. Vaak probeerde hij vijf minuten later nog
eens het baasje te roepen. En hij was niet de enige. Vaak lagen ze met
zijn drieën om het hardst te zingen, in de hoop de aandacht van hun baasje
te kunnen trekken. Maar ja, die waren elders in het gebouw. Enig begrip
van de andere baasjes konden ze wel vergeten. Sterker nog, hoe wanhopiger
de kleine rakkers om hun baasje riepen, hoe meer de andere baasjes hen
vervloekten. Soms gingen ze zelfs zover dat de kleine zangertjes bruusk
werden uitgezet! En natuurlijk was hun gezang hinderlijk voor de andere
baasjes, die hard zaten te werken, maar daar kon hij toch ook niets aan
doen? Het was zijn baasje die hem zomaar achtergelaten had. Door verdriet
overmand piepte het mobieltje zachtjes
Eigenlijk hield het baasje niet ècht van hem. Anders zou hij hem toch
niet zomaar achterlaten, overgeleverd aan de verwensingen en beschimpingen
van de andere collega's? Diep, diep in zijn SIM-hartje hoopte hij dat
het baasje rond de jaarwisseling bij de goede voornemens even aan het
kleine mobieltje zou denken.
Misschien mocht hij dan voortaan gewoon mee naar de lunch en naar de vergaderingen.
Ook al mocht hij dan misschien even niet zingen, hij had in elk geval
de warme aandacht van het baasje. En nooit meer zouden ze hem uitschelden
en midden in zijn gezang uitzetten. Want, zo dacht het kleine zangertje,
de spreuk van het seizoen was niet voor niets "Vrede op aarde, voor mens en mobiel"